In 2015 heb ik de opleiding tot kattengedragstherapeut bij Tinley Academie afgerond met een onderzoek. Omdat ik gefascineerd ben door Bach Bloesems heb ik gekeken naar het effect van de bloesems op angst bij katten. In oktober 2015 heb ik het eindrapport ingeleverd en nu ben ik dus officieel gedragstherapeut :-D.

In de komende weken ga ik het hele onderzoek met jullie delen, beginnend met – uiteraard – de inleiding. Hierin vertel ik over emoties bij dieren in het algemeen en angst in het bijzonder.

Inleiding

In dit onderzoek kijk ik naar het effect van Bach Bloesems op angst bij katten. Omdat angst een emotie is ga ik in deze inleiding eerst bespreken of dieren dezelfde emoties ervaren als mensen. Daarna ga ik dieper in op de functie van angst en de lichamelijke gevolgen. Vervolgens leg ik uit wat Bach Bloesems zijn en hoe deze zouden kunnen helpen bij het verminderen van angst. Tot slot formuleer ik een onderzoeksvraag en hypothese.

EMOTIES BIJ DIEREN

Emoties

Emoties zijn psychische verschijnselen die bijdragen aan gedragsregulering en –beheersing. Er wordt vaak onderscheid gemaakt tussen ‘emotionele responsen’ op fysieke reacties en ‘gevoelens’ die door gedachten worden opgewekt (Bekoff, 2008).

In het eerste geval voelen we de emotie pas als onze hersenen reageren op fysiologische veranderingen in ons lichaam. Denk daarbij aan het horen van een inbreker: de hartslag versnelt, de bloeddruk neemt toe en de lichaamstemperatuur stijgt en daardoor voelen we angst. Gevoelens daarentegen spelen zich alleen in de hersenen af. Deze emoties kunnen we interpreteren en we kunnen zelfs besluiten iets anders te voelen.

3-breinen4-297x300
Er kunnen drie ‘soorten’ hersenen worden onderscheiden (MacLean, 1992):
1. Primitieve hersenen – het reptielenbrein dat wordt gevonden bij vissen, amfibieën, reptielen, vogels én zoogdieren;
2. Limbisch systeem of oude zoogdierenbrein (incl. amygdala) – bij alle zoogdieren;
3. ‘Rationele’ nieuwe zoogdierenbrein – de neocortex, alleen bij sommige zoogdieren zoals primaten en mensen.

 

 

Charles Darwin was de eerste wetenschapper die systematisch onderzoek deed naar emoties bij dieren. Hij onderscheidde zes universele emoties, namelijk:
1. Woede
2. Blijdschap
3. Verdriet
4. Afkeer
5. Angst
6. Verbazing

Dit zijn primaire emoties die geen bewust denken vereisen en waarmee ieder individu wordt geboren. De primaire emoties hebben neuronencircuits in het oudste deel van de hersenen: het limbisch systeem en vooral de amygdala. Dit systeem komt bij alle zoogdieren voor in de hersenen, wat het zeer aannemelijk maakt dat dieren deze emoties ook ervaren.

ledouxfear

Later zijn er nog secundaire emoties onderkend zoals jaloezie, minachting, schaamte, schuldbesef, trots en afgunst. Bij deze complexere emoties zijn hogere centra in de neocortex (of hersenschors) betrokken. Hiervan is het lastiger vast te stellen of dieren deze emoties ook ervaren. Of dat ze het wellicht op een andere manier ervaren.

Darwin plaatste mens en dier in een evolutionair continuüm en stelde dat de mens een geëvolueerde primaat is en dus een onlosmakelijk onderdeel van één en hetzelfde natuurlijke systeem. Volgens Darwin bestaat geen fundamentele kloof tussen mens en dier: beide zijn het resultaat van evolutie en delen een gemeenschappelijke oorsprong.

Animal Sentience

Animal Sentience is de wereldwijd gebruikte term als we spreken over het vermogen van dieren om aangename gemoedstoestanden als blijdschap en onaangename gemoedstoestanden als pijn en angst te ervaren.

Sinds mensenheugenis wordt er al gediscussieerd over de vraag of dieren gevoelens hebben. In de oudheid werd er door de grote denkers op aangedrongen om dieren goed en rechtvaardig te behandelen. Zij gingen ervan uit dat dieren pijn en lijden ervaren. Later, tijdens de Renaissance, kwamen er tegengeluiden zoals van Descartes (1596-1650). Hij zag dieren als automata, niet in staat om te voelen of te lijden. Maar de overtuiging dat dieren wel degelijk gevoelens hadden en dat het mishandelen van dieren even misdadig is als het mishandelen van mensen had toch de overhand. Darwin (1809-1882) dichtte sommige dieren zelfs een vorm van zelfbewustzijn toe.

Dit veranderde pas in de eerste helft van de 20e eeuw, het tijdperk waarin het behaviorisme van John Watson voet aan de grond kreeg. The Behaviourist School of Psychology werd opgericht in 1913 en werd gedreven door de opvatting dat alleen waarneembaar gedrag moet worden bestudeerd. Iedere subjectieve ervaring, intentie of emoties bij dieren werd verworpen. Watson was er van overtuigd dat gedrag, door middel van conditionering, volledig plooibaar is. Dit gedachtegoed heeft ook nu nog een blijvende impact. Een voorzichtige ommekeer kwam pas in de jaren ’60 toen de Britse overheid de Brambell Committee instelde en hen de opdracht gaf aanbevelingen te doen voor het welzijn van landbouwdieren. Dit heeft geleid tot de 5 vrijheden die nu wereldwijd worden gehanteerd (Proctor H. , 2012).

Screen Shot 2013-09-11 at 5.07.02 AMHet is inmiddels uit diverse behavioristische en neurobiologische onderzoeken gebleken dat mens en dier overeenkomstige chemische en neurobiologische systemen hebben. Dit heeft tot overeenstemming tussen wetenschappers geleid over het gegeven dat alle dieren primaire emoties kennen. Daarnaast bestaan er ook talloze voorbeelden en wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat dieren ook secundaire emoties, zoals empathie, ervaren.

Het op wetenschappelijk niveau aantonen van het bestaan van animal sentience – en de mate waarin – wordt bemoeilijkt door het feit dat dieren niet kunnen praten. Ze kunnen ons niet vertellen wat ze precies voelen. Hierdoor vervallen onderzoekers snel in het gebruiken van menselijke termen (antropomorfisme) waardoor de resultaten maar moeilijk serieus genomen worden door andere wetenschappers.

Antropomorfisme

Antropomorfisme is het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke dieren. Voor veel wetenschappers is antropomorfiseren een doodzonde en veel onderzoeken worden bekritiseerd omdat er teveel geantropomorfiseerd zou worden.

Marc Bekoff levert in zijn boek ‘Het Emotionele Leven van Dieren’ juist forse kritiek op deze angst voor antropomorfisme. Hij stelt dat antropomorfisme onvermijdelijk en noodzakelijk is, omdat we het gedrag van dieren alleen kunnen beschrijven en verklaren door gebruik te maken van woorden waarmee we vanuit een antropocentrisch perspectief vertrouwd zijn.

Robert Sapolsky stelt dat mensen en dieren veel eigenschappen met elkaar gemeen hebben, inclusief emoties. Antropomorfisme is volgens hem niet de dieren iets menselijks toedichten, maar het vaststellen van wat we met ze gemeen hebben en het gebruiken van mensentaal om anderen deelgenoot te maken van deze observaties.

Francoise Wemelsfelder heeft in diverse onderzoeken aangetoond dat ook leken consequent de emoties van dieren accuraat kunnen herkennen. Gebruikmakend van een methodologie genaamd ‘vrijekeuzeprofilering’ heeft zij diverse ongetrainde waarnemers gevraagd de interactie tussen individuele dieren en een mens te observeren en de woorden op te schrijven die naar hun idee de beste beschrijving gaven van de gedragsuitingen van het dier. Steeds weer bleek er grote overeenstemming te bestaan tussen de diverse groepen waarnemers in de beoordeling van het gedrag van de dieren (Wemelsfelder F. , Hunter, Mendl, & Lawrence, 2001).

Wemelsfelder heeft op basis hiervan een methode (Qualitative Behaviour Assessment) ontwikkeld waarmee het welzijn van dieren kan worden beoordeeld. De essentie van deze methode is dat er naar het dier als geheel wordt gekeken en naar hoe het dier zich dynamisch beweegt in zijn omgeving. Wemelsfelder wijst er wel op dat het noodzakelijk is om een goede kennis te hebben van dierspecifieke lichaamstaal (Wemelsfelder F. , How animals communicate quality of life: the qualitative assessment of behaviour, 2007).

ANGST

Angst is een primaire emotie waarvan onomstotelijk is vastgesteld dat dieren deze ook kennen. De belangrijkste functie van angst is om te beschermen tegen gevaar. Prikkels als geuren, geluiden of bewegingen kunnen bij dieren een primaire angstrespons in actie zetten waardoor er onbewust vermijdingsgedrag wordt ingezet. Er is in de natuur geen ruimte voor vergissingen. Om als soort te overleven zijn deze aangeboren reacties van doorslaggevend belang.

Sensitisatie kan er echter voor zorgen dat een kat ook op niet-bedreigende prikkels een angstreactie laat zien.

Lichamelijke gevolgen van angst

Als een kat angst ervaart, zet het lichaam een stress reactie in gang. De hersenen geven een seintje aan de bijnieren die onmiddellijk adrenaline en noradrenaline gaan produceren. Deze stoffen zorgen ervoor dat hartslag en bloeddruk omhoog gaan en dat de spieren paraat staan om in actie te komen. Dit is de bekende flight-or-fight reactie.
Enkele ogenblikken later zorgt de stressreactie ervoor dat er vanuit de hersenen nog een signaal bij de bijnieren komt waardoor ze cortisol gaan aanmaken. Cortisol zorgt ervoor dat het glucosegehalte in het bloed toeneemt en dat de stofwisseling omhoog gaat. Hierdoor komt er meer energie vrij in het lichaam om te handelen. Ook zorgt cortisol ervoor dat de kat sneller leert en dat oud geleerd gedrag sneller beschikbaar wordt. Als de bedreigende situatie voorbij is heeft het lichaam even de tijd nodig om de afvalstoffen te verwerken.

Het woord stress heeft een negatieve klank en staat eigenlijk synoniem aan chronische stress. Je kunt je namelijk wel voorstellen dat acute stress iets positiefs is. Het stelt de kat in staat om snel te reageren op een naderende bedreiging.

Acute stress kan zich echter ook ontwikkelen tot chronische stress en dan wordt het minder prettig. Het is voornamelijk het verhoogde cortisol wat een probleem is. Een verhoogd cortisol leidt namelijk tot een vermindering van o.a. de weerstand, wondgenezing, geheugen en concentratievermogen. Daarnaast geeft het ook een verhoging van de bloeddruk en een grotere kans op suikerziekte. Dat lijken me genoeg redenen om actief aan stressverlaging bij katten te werken.

Ook een langdurig verhoogd noradrenaline heeft vervelende gevolgen. Noradrenaline wordt namelijk geassocieerd met sensitisatie en met de conditionering van angst.

Hoe uit angst zich in gedrag?

Bij katten kun je o.a. aan de lichaamshouding zien of ze angst ervaren. De belangrijkste kenmerken van angst zijn:
• Vergrote pupillen;
• Platte oren, zijwaarts of naar achteren gedraaid (‘platte pet’);
• Snorharen naar achteren;
• Verkrampt lichaam;
• Houding laag/in elkaar gedoken.

Ook het vertonen van een of enkele stresssignalen kan duiden op angst. Denk daarbij aan:
• Tongelen ;
• Pootje heffen;
• Siddering door rug;
• Uitschudden;
• Trillen;
• Hijgen;
• Gapen.

Het is wel belangrijk om naar de kat als geheel te kijken. Een enkel stresssignaal of alleen grote pupillen is niet voldoende om te concluderen dat een kat bang is. Het gaat om de combinatie van angstkenmerken. Een bange kat zal vermijdingsgedrag vertonen en proberen te vluchten.

Volgende week volgt deel 2. Dat is het laatste gedeelte van de inleiding waarin ik uitleg wat Bach Bloesems zijn, hoe ze werken en welke onderzoeken er al gedaan. Overigens heb ik hier al eerder geschreven over de lichamelijke gevolgen van stress.

 

Share This